Belasting op het stedelijk roerend goed met publicitair karakter - Reglement - Wijziging.

De Gemeenteraad,
Gelet op zijn beraadslaging van 24/02/2015 met betrekking tot de belasting op het stedelijk roerend goed met publicitair karakter, uitvoerbaar verklaard op 01/01/2015 voor een termijn die verstrijkt op 31/12/2019;
Gezien de Ordonnantie van 03.04.2014 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillen inzake gemeentebalastingen ;
Gezien de Ordonnantie van 12.02.2015 wijzigend de Ordonnantie van 03.04.2014 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillen inzake gemeentebalastingen ;
Gelet artikel 170 van de Grondwet ;
Gelet op artikels 117 en 118 van de nieuwe gemeentewet;
Op voorstel van het Schepencollege;
S T E L T    V A S T :
Het volgende fiscaal reglement vanaf 01/01/2020 en voor een termijn die verstrijkt op 31/12/2024 :
ARTIKEL 1
Er wordt een jaarlijkse belasting gevestigd op het stedelijk roerend goed met publicitair karakter.
ARTIKEL 2
Onder de term « stedelijk roerend goed met publicitair karakter » dient men te verstaan : elk stedelijk roerend goed bestemd voor publiciteit, in het bijzonder, bushokjes, planimeters, « Morriskolonnen ».
ARTIKEL 3
De aanslagvoet van de jaarlijkse belasting op het benutten van stedelijk roerend goed met publicitair karakter bedraagt:
- 153,00 € per benutbare zijde op de abribus;
- 306,00 € per benutbare zijde op elk ander stedelijk roerend goed met publicitair karakter;
- 460,00 € per benutbare zijde op de driefasige planimeters.
ARTIKEL 4
De belasting is verschuldigd per aanslagplaats, voor het gehele jaar, ongeacht de begindatum van de uitbating.
ARTIKEL 5
De belasting is hoofdelijk verschuldigd door de uitbater van het stedelijk roerend goed en door de aankondiger van het bericht dat geplaatst wordt op het stedelijk roerend goed.
ARTIKEL 6
Elk jaar wordt er een telling door het gemeentebestuur uitgevoerd. Hierbij wordt aan de belastingbetaler gevraagd om een volledige lijst op te stellen van het stedelijk roerend goed met publicitair karakter dat in de gemeente gevestigd is.
Deze lijst moet binnen een termijn van 30 dagen te rekenen vanaf de derde werkdag volgend op de datum van de verzending van dat aangifteformulier degelijk ingevuld en ondertekend teruggestuurd worden.
ARTIKEL 7
In geval van wijziging van de belastingbasis dient de belastingplichtige spontaan een nieuwe aangifte te laten geworden binnen de tien kalenderdagen na de wijziging.
ARTIKEL 8
De belastingplichtige is verplicht de eventuele controle van zijn aangifte te vermakkelijken door het verstrekken van alle documenten en inlichtingen die hem te dien einde zouden gevraagd worden.
Bij gebrek aan aangifte zoals voorzien in artikelen 6 en 7 of in geval van onjuiste, onvolledige of onduidelijke aangifte zal de belastingplichtige van ambtswege belast worden.
De ambtshalve ingekohierde belastingen worden verhoogd met een bedrag gelijk aan de verschuldigde of als verschuldigd geacht belasting.
Vooraleer wordt overgegaan tot de ambtshalve vaststelling van de belasting, stelt de gemeente de belastingplichtige in kennis dat het tot deze procedure overgaat, en dit conform de beschikkingen van artikel 7 van de ordonnantie van 03/04/2014 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillen inzake gemeentebelastingen.
De belastingplichtige beschikt over 30 kalenderdagen vanaf de derde werkdag na de datum van verzending van de melding om zijn opmerkingen schriftelijk in te dienen.
ARTIKEL 9
De belasting wordt geheven via kohier.
De invordering en de geschillen worden beheerd overeenkomstig de wettelijke bepalingen ter zake.
ARTIKEL 10
Het huidig reglement heft alle voorgaande desbetreffende reglementen op.